Wet van 4 februari 2020 houdende boek 3 “Goederen”: het goederenrecht in de 21ste eeuw

1

De wet van 4 februari 2020 houdende boek 3 “Goederen” (gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 17 maart 2020) is zonder twijfel een van de meest ingrijpende hervormingen van het goederenrecht sedert 1804.  De wetgever heeft de regels over eigendom, mede-eigendom, de andere zakelijke gebruiksrechten uit het bestaande Burgerlijk Wetboek herschikt in een actueel kader. Ook de oude wetten over erfpacht en opstal (van 1824) werden geïntegreerd in het nieuw boek 3 “Goederen”, samen met de wet op de achtergelaten voorwerpen en een aantal bepalingen uit het Veldwetboek en de Hypotheekwet.

De  bedoelingen van de wetgever zijn ambitieus: het goederenrecht moderniseren naar de noden van een postindustriële samenleving. In het goederenrecht van de 21ste eeuw wordt het eigendomsrecht als sociaal contract geherwaardeerd,  er wordt een betere balans gezocht tussen privébelangen en algemeen belang, wordt eigendom een driedimensionaal volumebegrip, en is er meer aandacht voor immateriële goederen.

Toch mogen we deze grondige hervorming geen revolutie noemen. De krijtlijnen van ons traditionele goederenrecht blijven overeind: het blijft een gesloten systeem van zakelijke rechten, maar wel met meer ruimte voor flexibiliteit. Behoudens de definities van de zakelijke rechten, is het goederenrecht principieel van aanvullend recht.

De nieuwe wetgeving integreert ook heel wat belangrijke rechtspraak over tal van twistpunten.  Rechtsfiguren die de afgelopen decennia in de rechtspraak zijn opgebloeid, worden nu in de wet zelf vastgelegd. Daarbij denken we in de eerste plaats aan het leerstuk van rechtsmisbruik en de rechtsfiguur van de abnormale burenhinder, die zelfs een prominente plaats krijgt in een aparte titel “Burenrelaties”.

De wetgever beoogt een functioneel, toegankelijk en transparant kader te scheppen. Daarom voorziet het goederenrecht nu een alomvattende benadering van burenrelaties, waarin naast de burenhinderleer ook de regels omtrent muurgemeenheid en erfdienstbaarheden worden opgenomen.

De wetgever is niet voorbijgegaan aan de gewijzigde maatschappelijke opvattingen. Over dieren bijvoorbeeld, die niet langer als voorwerpen worden beschouwd. Maar in zekere zin ook met een nieuwe kijk op bomen en struiken. Want zij krijgen meer bescherming.

Het Boek 3 “Goederen” is opgebouwd uit 8 grote titels.


5eafc82225331-wet-van-4-februari-2020png


Voor gevonden voorwerpen zal er voortaan een uniforme regeling bestaan. Wie een achtergelaten voorwerp vindt, moet “redelijke pogingen” doen om de eigenaar terug te vinden. Er komt een gemeentelijk register waar de vinder aangifte moet doen. De eerlijke vinder de zich houdt aan deze verplichtingen heeft naar omstandigheden recht op een “redelijke beloning”.

Wiens bezit lang genoeg duurt, kan eigenaar worden. Dat principe geldt ook in het nieuwe goederenrecht. Maar de termijn is wel verkort. Voor de bezitter te goeder trouw wordt de termijn verkort tot 10 jaar. Is de bezitter te kwader trouw, dan blijft de termijn op 30 jaar.

Tot nog toe kon verkrijgende verjaring slechts passief worden opgeworpen (als verweermiddel in een eigendomsproces). Voortaan kan verjaring ook actief worden opgeworpen. De bezitter die eigenaar wil worden kan dus het initiatief nemen om zijn eigendomsrecht te doen bevestigen.

In het vroegere recht was de “vervallenverklaring” bij de zakelijke genotsrechten slechts fragmentair of helemaal niet geregeld. Voortaan is de vervallenverklaring een wijze van tenietgaan die zowel bij vruchtgebruik, erfpacht en recht van opstal van toepassing is. 

De wettelijke bepalingen over de onroerende publiciteit, die tot nu toe on de Hypotheekwet waren geregeld, worden eveneens in Boek 3 geïntegreerd. In dit verband worden ook enkele lacunes van het bestaande publiciteitssysteem opgelost. De publiciteit bij eigendomsoverdracht van onroerende goederen wordt uitgebreid tot overdrachten door overlijden en verkrijgende verjaring.

Het recht van afpaling van eigendommen wordt in de nieuwe wetgeving ook concreter geregeld. Wie zijn buur wil dwingen tot afpaling, moet deze eerst uitnodigen tot een minnelijke afpaling.  Een minnelijke afpaling kan worden vastgelegd in een authentieke akte die kan worden overgeschreven op het kantoor Rechtszekerheid, net als een vonnis dat de afpaling beveelt.

Ook situaties van grensoverschrijding, waarbij een buur al dan niet bewust over de perceelsgrens heeft gebouwd, wordt voortaan duidelijker geregeld. De wet bevat criteria wanneer een buur eventueel de afbraak kan vorderen en wanneer niet.

Burenhindergeschillen worden in de toekomst in principe voor de Vrederechter worden behandeld. De wet somt voortaan een aantal criteria op waarmee de rechter rekening kan houden om te beslissen wanneer burenhinder de grenzen van het normale overschrijdt. De vrederechter kan eventueel ook preventieve maatregelen opleggen wanneer zou blijken dat een onroerend goed abnormale ernstige en manifeste risico’s inzake veiligheid, gezondheid of vervuiling ten aanzien van een naburig onroerend goed veroorzaakt.

De regels over mandeligheid werden vereenvoudigd. De regels die voortaan gelden voor “gemene afsluiting” zijn toepasselijk ongeacht of het gaat om een muur, haag, gracht, omheining, afrastering welke afsluiting dan ook. De regels in verband met het aanbouwen tegen een gemene muur, het verbod op hinderlijke uitzichten of overlast door overhangende takken of doorschietende wortels worden geactualiseerd en vereenvoudigd.

Erfdienstbaarheden kunnen voortaan niet enkel op een erf, maar ook op een gebouw worden gevestigd. De mogelijkheid om erfdienstbaarheden af te schaffen die nutteloos zijn geworden, wordt een beetje versoepeld. De regels met betrekking tot de wettelijke erfdienstbaarheid van uitweg werden geactualiseerd.

Vruchtgebruik wordt meer dan ooit een instrument van familiale vermogensplanning. De maximumduur wordt 99 jaar ook voor vennootschappen. De regels worden geactualiseerd. De bloot-eigenaar krijgt bezoekrecht en hij zal bij grote herstellingen verplicht zijn meer verantwoordelijkheid op te nemen samen met zijn vruchtgebruiker. Het recht van gebruik als afzonderlijk zakelijk genotsrecht wordt afgeschaft.

Het recht van erfpacht en het recht van opstal worden voortaan niet meer in aparte wetten geregeld, maar geïntegreerd in Boek 3. Erfpacht wordt mogelijk vanaf 15 jaar en is er meer dan ooit op gericht de erfpachter een langdurig vol gebruik en genot op het onroerend goed te verschaffen om de waarde ervan in stand te houden. Het recht van opstal verleent een eigendomsrecht op andermans grond van in principe 99 jaar en is in het bijzonder gericht op het verwerven of oprichten van gebouwen. Bij volumebouw kan een opstalrecht zelfs eeuwigdurend zijn.

Het nieuwe boek 3 “Goederen” treedt, op een enkele uitzondering na, in werking op 1 september 2021.

Bron: Wet van 4 februari 2020 houdende boek 3 "Goederen" van het Burgerlijk Wetboek, BS 17 maart 2020.