Bescherming van de meerderjarige persoon en diens vermogen

- Tom Mespreuve

1.       Inleiding

De nieuwe wet van 17 maart 2013 betreffende ‘de hervorming van de regelingen inzake onbekwaamheid en tot instelling van een nieuwe beschermingsstatus die strookt met de menselijke waardigheid’ uniformeert en vervangt de vroegere 4 beschermingsstatuten (te weten: het voorlopig bewind, de verlengde minderjarigheid, de gerechtelijke onbekwaamverklaring en de bijstand van een gerechtelijk raadsman) tot 1 nieuw statuut: ‘het bewind’. Het zwaartepunt van het nieuwe statuut ligt thans niet meer louter op de bescherming van het vermogen van de beschermde persoon, doch eveneens op de bescherming van de persoon zelf. De wet treedt in werking op 1 juni 2014, onder voorbehoud van de overgangsbepalingen.

2.       Toepassingsgebied

Meerderjarige personen wiens gezondheidstoestand het hen geheel of gedeeltelijk verhindert om zonder bijstand of enige beschermingsmaatregel hun eigen (vermogensrechtelijke) belangen te behartigen, kunnen onder bewind geplaatst worden. De wet voorziet 2 verschijningsvormen: de buitengerechtelijke- en de rechterlijke bescherming.

3.       Buitengerechtelijke bescherming

In de buitengerechtelijke bescherming wordt het beheer van de goederen geregeld op basis van een conventionele lastgeving (art. 1984 tot 2010 BW). Via deze techniek kunnen personen reeds anticiperen op een eventuele latere wilsonbekwaamheid. Zij kunnen, op het ogenblik dat ze nog wilsbekwaam zijn, aan een derde (lasthebber) een volmacht verlenen om rechtshandelingen in hun naam en voor hun rekening te stellen. Deze lastgeving blijft geldig, zelf wanneer de lastgever wilsonbekwaam zou worden.

De buitengerechtelijke bescherming heeft geen invloed op de rechts-en handelingsbekwaamheid van de beschermde persoon. De bescherming heeft enkel een invloed op de goederen van deze persoon.

De lasthebber en lastgever kunnen, zolang geen rechterlijke beschermingsmaatregel werd getroffen, op ieder ogenblik beslissen om de lastgeving te  beëindigen.

Wanneer de lasthebber kennis krijgt van het feit dat de lastgever niet meer in staat is zijn belangen naar behoren waar te nemen of in geval van verkwisting, is de lasthebber verplicht de uitvoering van de lastgeving te verzoeken aan de vrederechter.

4.       Rechterlijke bescherming

Ingeval de vrederechter meent dat de buitengerechtelijke bescherming via de uitvoerbaarverklaring van de lastgeving niet volstaat, wordt een rechterlijke bescherming toegepast. In dat geval wordt een bewindvoerder aangesteld. Niemand kan worden verplicht de opdracht van bewindvoerder uit te oefenen. De aangewezen bewindvoerder dient in ieder geval in te stemmen met zijn aanwijzing.

De vrederechter dient te oordelen voor welke handelingen de persoon bescherming en begeleiding nodig heeft van zijn bewindvoerder. De bewindvoering kan zowel betrekking hebben op de persoon zelf (vertegenwoordiging bij bepaalde rechtshandelingen), als op zijn goederen (beheer van de goederen als goed huisvader). De beschermde persoon blijft evenwel bekwaam voor alle aangelegenheden waarvoor hij niet uitdrukkelijk onbekwaam verklaard werd.

Naast de bewindvoerder kan de vrederechter er voor kiezen tevens een vertrouwenspersoon aan te stellen.

5.       Vertrouwenspersoon

De vertrouwenspersoon heeft geen vertegenwoordigingsbevoegdheid, maar fungeert als een tussenpersoon tussen de vrederechter, de bewindvoerder en de beschermde persoon. De vertrouwenspersoon zal toezicht houden op het bewind, alsook de bewindvoerder waar nodig adviseren met het oog op de optimale behartiging van de belangen van de beschermde persoon.